Mail uw kennis door!

ODD/CD

> Inleiding
> Verschijningsvormen
> Hoe ontstaat het?
> Komt het vaak voor?
> Samenhang met andere stoornissen (co-morbiditeit)
> Hoe wordt het vastgesteld?
> Behandelmogelijkheden
> Wat is de prognose?
> Onderzoeksinstrumenten
> Betrouwbare psychologische behandelingen

 Inleiding

Men spreekt van een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (Oppositional Defiant Disorder- ODD) of een antisociale gedragsstoornis (Conduct Disorder – CD) wanneer jongeren zich gedurende langere tijd herhaaldelijk tegendraads, antisociaal of agressief gedragen. Met andere woorden: wanneer het kind zich blijvend lastig, boos en opstandig gedraagt. Als dit gedrag een slechte invloed heeft op het dagelijks leven van het kind – thuis, op school, met vriendjes – is er waarschijnlijk sprake van een gedragsstoornis.
In de Amerikaanse literatuur worden beide gedragsstoornissen ook aangeduid met de overkoepelende term "Disruptive Behavior Disorders" (DBD). 

naar boven  

Verschijningsvormen

Hoewel lastig, storend en irritant gedrag het algemene kenmerk is, wordt er wel een zorgvuldig onderscheid gemaakt tussen verschillende stoornissen. De verschillende uitingen van gedragsstoornissen leiden tot verschillende zwaartepunten in de behandeling. Ook de vooruitzichten op het toekomstige verloop verschillen, afhankelijk van het type gedragsstoornis.

Over het algemeen wordt onderscheid gemaakt in:

Oppositioneel opstandig gedrag (ODD): de kinderen/jongeren verzetten zich tegen de leiding van volwassenen. Zij weigeren te doen wat wordt gevraagd en worden driftig als zij worden gecorrigeerd of hen iets wordt verboden. Dit gebeurt herhaaldelijk, onveranderlijk en gedurende langere perioden.

Antisociaal gedrag (CD): Het kind toont geen respect voor anderen. Zo steelt het kind bijvoorbeeld. Ook overtreedt het kind sociale regels en normen door bijvoorbeeld te liegen en te spijbelen.
Er zijn ook openlijke vormen van antisociaal gedrag waarvan andere personen direct last hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om schreeuwen, driftig zijn, pesten en vechten. Daarnaast zijn er ongemerkte vormen van antisociaal gedrag, die zich achter de rug van volwassenen afspelen. Denk hierbij aan liegen, vernielen, stelen en brandstichten. Vooral deze vormen van antisociaal gedrag veroorzaken gevoelens van woede en machteloosheid, als de ouders dit ontdekken.
Een tussenvorm is dat jongeren slecht luisteren en ongehoorzaam of ongewillig zijn. Slecht luisteren kan openlijk plaatsvinden, zoals brutaal weigeren te doen wat wordt gevraagd. Er is ook een bedekte vorm, waarbij het kind dingen zogenaamd vergeet of net even wat anders of expres heel erg langzaam doet.

Agressief gedrag: Dit is een extreme vorm van antisociaal gedrag. Agressie houdt in dat er met opzet schade wordt veroorzaakt. Er kan een onderscheid worden gemaakt in:

• fysiek agressief gedrag: stompen, slaan, schoppen, knijpen, vechten en vernielen.
• verbaal agressief gedrag: schelden, kwetsen, bedreigen, pesten en vernederen.
• relationeel agressief gedrag: onjuiste geruchten verspreiden over een ander kind om deze buiten te sluiten.

Het agressieve gedrag is verder te onderscheiden in reactief agressief gedrag en pro-actief agressief gedrag. Bij reactief agressief gedrag reageert het kind verdedigend op een verbod van een ouder of andere volwassenen. Hiertegenover staat het zogenaamde pro-actieve agressieve gedrag, waarbij jeugdigen bepaald gedrag gebruiken om een bepaald doel te bereiken. Peuters kunnen bijvoorbeeld andere kinderen tegen de grond duwen om speelgoed af te pakken. Schoolkinderen kunnen een vechtpartij aangaan om bewondering te krijgen.

De oppositionele opstandige gedragsstoornis wordt over het algemeen gezien als een zwakkere variant van de antisociale gedragsstoornis.
Een oppositionele opstandige gedragsstoornis kan al bij jonge kinderen tussen 4 en 7 jaar voorkomen, waarbij het mogelijk is dat deze zich ontwikkelt tot een antisociale gedragsstoornis. Dit hoeft niet altijd te gebeuren, maar het komt regelmatig voor.
Het komt ook voor dat kinderen op jongere leeftijd nog geen antisociaal gedrag vertonen, maar daarmee pas beginnen in de adolescentie, bij een jaar of 13 dus.
Het type antisociaal gedrag dat in de kinderleeftijd begint, is vaak van een agressief karakter en treedt vaak op in combinatie met ADHD en lees- en taalstoornissen. De vooruitzichten op de verdere ontwikkeling zijn minder gunstig dan bij het type antisociaal gedrag dat in de adolescentie begint. Bij deze laatste groep is er vaak ook sprake van stemmingsstoornissen. Na de adolescentie verdwijnt het antisociale gedrag vaak weer.

naar boven   

Hoe ontstaat het?

Het ontstaan en in stand blijven van de bovenbeschreven gedragsstoornissen bij kinderen is meestal te verklaren aan de hand één of meer factoren die met het kind zelf te maken hebben, en één of meer factoren vanuit de omgeving van het kind.

Bij factoren die aan het kind verbonden zijn moet men denken aan een kwetsbaarheid van het kind, veroorzaakt door het functioneren van de hersenen. Het kind is dan overbeweeglijk en minder in staat zijn impulsieve gedrag te remmen en daarover na te denken. Ook stemmingswisselingen en het vermogen om voor bepaalde situaties de beste oplossingen te bedenken, spelen een rol. In zekere mate kan de kwetsbaarheid van het kind voor het ontwikkelen van antisociaal gedrag erfelijk bepaald zijn.

Bij kinderen waar al op jonge leeftijd sprake was van oppositioneel opstandig gedrag moeten de factoren vanuit de omgeving in de eerste plaats worden gezocht in het gezinsverband (de opvoedingssituatie). Gebrekkige sturing van de opvoeders kan bijdragen aan het gestoorde gedrag: bijvoorbeeld wanneer wanneer de ouders onvoldoende duidelijke regels stellen, inconsequent en vaak hard straffen en weinig gevoelsmatige betrokkenheid tonen.
Voor een deel lokken de kinderen met een aanleg voor gedragsstoornissen de inconsequente opstelling van de opvoeders ook uit: wanneer ouders niet opgewassen zijn tegen het dwingend en zeurend gedrag van het kind en de regels daarom wat verslappen, kan het kind op den duur een riante machtspositie weten te verwerven.

Bij de jongeren die zich pas in de adolescentieperiode antisociaal gaan gedragen zijn er andere omgevingsfactoren die een rol spelen. Zij sluiten zich bijvoorbeeld aan bij een pre-delinquente of delinquente groep leeftijdgenoten. Maar het kan ook het onvermogen van ouders zijn om een gepaste houding te vinden tegenover “normale adolescentieproblematiek”. Een voorbeeld hiervan is het leeftijdgebonden verzet tegen ouders, leraren en hun regels. Soms is er ook verzet tegen maatschappelijke regels.  

naar boven

Komt het vaak voor?

Oppositioneel opstandige en antisociale gedragsstoornissen komen relatief vaak voor en kunnen op den duur ernstige gevolgen hebben, zowel voor degenen die de aandoening hebben als voor de maatschappij. Het is dan ook een belangrijk aandachtspunt in de kinder- en jeugdpsychiatrie.
Bij ruim 3% van de kinderen en jongeren is sprake van een oppositioneel opstandige gedragsstoornis, terwijl 2% van de jonge generatie een antisociale gedragsstoornis heeft.
De oppositioneel opstandige gedragsstoornis komt bij jongens en bij meisjes even vaak voor. De antisociale gedragsstoornis komt bij jongens wat vaker voor.

naar boven 

Samenhang met andere stoornissen (co-morbiditeit)

Combinatie met andere aandoeningen (co-morbiditeit) is bij ODD en CD eerder regel dan uitzondering.
Het type gedragsstoornis beginnend in de kinderleeftijd komt vaak voor in combinatie met ADHD, leesstoornis, taalstoornis, coördinatieontwikkelingsstoornis, zwakbegaafdheid en een lichte verstandelijke handicap.

Vooral bij het type gedragsstoornis beginnend in de adolescentie (maar ook bij het type beginnend in de kinderleeftijd) komt co-morbiditeit voor met een dysthyme stoornis (langdurige lichte depressie), een depressieve stoornis en een angststoornis.

Bij beide typen komt co-morbiditeit voor met posttraumatische stress-stoornis en dissociatieve stoornis.
In de adolescentie komt ook co-morbiditeit voor met middelenmisbruik. 

naar boven

 Hoe wordt het vastgesteld?

Bij het vermoeden van een oppositioneel-opstandige of antisociale gedragsstoornis wordt een uitgebreid psychiatrisch onderzoek uitgevoerd. Dit is om verschillende redenen van belang:

• In de eerste plaats is er vrijwel altijd sprake van combinatie met andere aandoeningen. Door onderzoek moeten ook de mogelijke andere aandoeningen aan het licht komen. Afhankelijk van wat de ouders en eventueel de jeugdige tijdens het eerste gesprek inbrengen, wordt besloten op welke aandoeningen het onderzoek zich zal richten. Bijvoorbeeld: wanneer er ADHD bij de ouders of in de rest van de familie voorkomt, zal dit ook een aandachtspunt in het onderzoek zijn.
• In de tweede plaats wordt het gedrag van het kind zelf onderzocht. Daarbij moet ook duidelijk worden hoe het kind zich in de loop der jaren op de verschillende gedragkenmerken heeft ontwikkeld.
• In de derde plaats worden de zogenaamde omgevingsfactoren bij het onderzoek betrokken. Daarbij komen vragen aan de orde als: “Hoe reageert de omgeving op het gedrag van de jeugdige?”, “In hoeverre weet de jeugdige zijn omgeving te beheersen?” en “Wat voor omgeving creëert de jeugdige voor zichzelf?”, met andere woorden: “Wat voor vrienden kiest de jeugdige uit?”  

Concreet wordt het onderzoek als volgt uitgevoerd:

1. Met de ouders worden de verschijnselen en kenmerkende onderdelen van het gedrag van de jeugdige zorgvuldig in kaart gebracht. Daarbij toont de behandelaar ook begrip voor de problemen die het gedrag van het kind veroorzaakt en de mogelijk negatieve gevoelens over hun kind door dat gedrag.
De algemene voorgeschiedenis van het kind wordt vanaf de zwangerschap doorgenomen. Daarbij komen medische en sociale onderdelen van de ontwikkeling van het kind aan de orde. Vervolgens gaat de behandelaar in op de voorgeschiedenis van het moeilijke gedrag waarvoor het kind is aangemeld. Ook hier weer worden de ouders ondervraagd over het ontstaan en de ervaringen door de jaren heen.
Verder besteedt de behandelaar aandacht aan de ontwikkelingsgeschiedenis van het gezin van de jeugdige: de samenstelling van het gezin, de plaats van het gezin in de maatschappij, het functioneren van de ouders, de opvoedingsstijl, de last die het gezin ervaart en speciale problemen als delinquentie en middelengebruik. In dit onderdeel van het onderzoek staat de behandelaar ook stil bij de aanwezigheid van schaamte- of schuldgevoelens bij de ouders over de gedragsproblematiek.
2. Uiteraard wordt ook het kind zelf onderzocht. Voor een deel zal dit gebeuren via het inwinnen van informatie van de ouders en leerkrachten. Dit gebeurt aan de hand van veelgebruikte en beproefde vragenlijsten. Bij dit onderzoek wordt onder meer bepaald: in hoeverre de jeugdige besef heeft van het probleem, het eigen aandeel in de problemen, in hoeverre hij er onder lijdt, hoe hij over zijn omgeving denkt, hoe hij staat tegenover vriendschap en in hoeverre hij zich kan inleven in de positie van anderen.
3. Verder is allerlei aanvullend onderzoek mogelijk, als daar aanleiding voor is. Zo is informatie van school nuttig om het gedrag van de jeugdige te kunnen begrijpen in de context van de schoolse activiteiten en spanningen. Ook kan er aanleiding zijn voor een intelligentie-onderzoek met het oog op het vaststellen van het denkvermogen en het opsporen van eventuele achterstanden. Wanneer er twijfel is over het oordeel van de ouders over hun eigen opvoedingsvaardigheden, kan ook een gezinsonderzoek worden gehouden.
Bij de verschillende onderzoeken kunnen de meetinstrumenten worden gebruikt die in de rubriek Onderzoeksinstrumenten worden genoemd.  

naar boven

Behandelmogelijkheden

Algemeen: Psychotherapie en/of medicijnen: De behandeling van de oppositioneel-opstandige en antisociale gedragsstoornissen bestaat over het algemeen in eerste instantie uit psychotherapeutische methoden zoals ouderbegeleiding en gedragstherapie bij jeugdigen. Behandeling met medicijnen wordt voorgesteld wanneer er sprake is van ernstige en openlijke vormen van agressie. Maar wel pas nadat gebleken is dat bovengenoemde psychotherapeutische methoden onvoldoende effectief waren.
Behandeling met medicijnen is vooral aan de orde bij het vóórkomen van een combinatie met andere stoornissen.
In het geval van co-morbiditeit met ADHD, met bovendien een duidelijke belemmering van het functioneren, worden medicijnen als eerste stap in de behandeling gebruikt. Vaak nemen dan symptomen van de ernstige gedragsstoornissen af. Vervolgens worden dan meestal één of meerdere vormen van psychotherapie aangewezen die specifiek aansluiten op problemen bij het kind, de ouders of het gezin.
Ook in het geval van een combinatie van gedragsstoornissen en een stemmingsstoornis wordt vaak een behandeling met medicijnen voorgesteld.

Psychotherapeutische aanpak: Bij de psychotherapeutische aanpak worden meestal de ouders en het kinder in kwestie betrokken. Soms wordt een therapie voorgesteld waaraan het hele gezin mee moet doen.

De ouders krijgen vaak begeleiding. Deze bestaat in de meeste gevallen uit psycho-educatie en oudertraining.
De psycho-educatie houdt in dat ouders inzicht krijgen in de gedragsstoornissen en dat de mogelijkheden om daar wat aan te doen worden doorgenomen. Hierdoor kunnen de ouders het gedrag van hun kind beter begrijpen en zich daarover mogelijk minder schuldig voelen. Tegelijkertijd kan een goede vorm van psycho-educatie motiverend werken om het eigen opvoedingsgedrag ten opzicht van het kind te veranderen of bij te stellen.
In het verlengde van de psycho-educatie ligt de oudertraining. Ouders leren het pro-sociale gedrag van hun kind te bevorderen en het antisociale gedrag te negeren of te bestraffen. Ook leren zij het dwingende gedrag van hun kind niet te beantwoorden en te doorbreken, terwijl het contact met het kind wel wordt gehandhaafd. Het gaat erom duidelijke grenzen te stellen, zonder het kind af te wijzen.
De jongere wordt via cognitieve gedragstherapie getraind in het overwegen van verschillende gedragswijzen in bepaalde situaties. Maar ook in het beter interpreteren en verwerken van wat er om hen heen gebeurt. Ook leren zij zich verdiepen in de manier waarop anderen de signalen in hun omgeving zouden kunnen opvatten.
De laatste tijd worden vooral methoden voorgesteld waarbij zowel op het kind gerichte gedragstherapeutische methoden als gezins- of systeemtherapeutische aanpak worden gecombineerd. Daarbij gaat het dan bijvoorbeeld om de functionele gezinstherapie en de multisysteemtherapie.

Medicijnen

Medicijnen bij de behandeling van een kind met een oppositioneel-opstandige of antisociale gedragsstoornis (zonder dat er ook sprake is van ADHD), vraagt om een zeer zorgvuldige afweging. Alleen wanneer specifieke gedrags-, gezins- of systeemtherapie onvoldoende effectief is gebleken, met name op het vlak van fysiek agressief gedrag, wordt medicatie overwogen. Het probleem is niet zozeer dat we niet beschikken over een middel dat agressief gedrag doet afnemen: van het antipsychoticum risperidon is het effect overtuigend aangetoond. Het probleem is dat risperidon slechts tijdelijk wordt gegeven, omdat in het algemeen bij antipsychotica ongunstige langere-termijn effecten niet kunnen worden uitgesloten. Voorbeelden hiervan zijn spasmen (samentrekken van spieren), onwillekeurige bewegingen en onrustige benen. Als blijkt dat ernstige openlijke agressieve gedragingen bij het staken van risperidon opnieuw voorkomen, dan is een nieuwe zorgvuldige afweging nodig. Eventueel moet er ook een herbeoordeling (diagnostiek) en heroverweging worden gemaakt van nieuwe (gedrags-/gezins-/systeem-)therapeutische methoden.

Gedragsstoornissen in combinatie met ADHD: Voor de behandeling van jeugdigen met gedragsstoornissen in combinatie met ADHD is Methylfenidaat (Ritalin) een effectief en betrekkelijk veilig middel. Het vermindert het drukke/impulsieve gedrag en de agressie. Het is als kort- maar ook als lang werkend middel verkrijgbaar (respectievelijk Ritalin en Concerta). Het langwerkende methylfenidaatpreparaat Concerta wordt helaas vaak nog niet vergoed. Soms wordt ook dexamfetamine gegeven, dit werkt iets langer dan methylfenidaat. Methylfenidaat en dexamfetamine komen uit de groep van de stimulantia en zijn geregistreerd voor ADHD. Zij lijken behoorlijk veilig op korte en op langere termijn.

Als zowel een stimulantium als de aanvullende psychotherapeutische behandeling onvoldoende effect hebben, dan kan bij ernstige woede-uitbarstingen ook nog risperidon (Risperdal) (erbij) gegeven worden. Dit middel werkt niet goed bij stelen, liegen, bedreigen, bedriegen en geniepig gedrag. Van Risperidon is echter nog onvoldoende onderzocht of het op lange termijn nog werkt en veilig is. Met het middel moet dan ook regelmatig gestopt worden om te zien of het nog nodig is. Het kan namelijk vervelende bijwerkingen hebben zoals gewichtstoename, slaperigheid en effecten op de spieren. Risperidon is niet geregistreerd voor behandeling van ADHD of ODD/CD.

Een ander middel dat kan worden voorgeschreven om de ADHD-verschijnselen in combinatie met gedragsstoornissen te behandelen is Atomoxetine (Strattera). Het middel is sinds december 2004 in Nederland verkrijgbaar. Het wordt slechts in zeer beperkte mate vergoed. Het is geregistreerd voor de behandeling van ADHD.

Tenslotte kan de behandelaar Clonidine (Dixarit) voorstellen. Dit is eigenlijk een middel tegen een te hoge bloeddruk. Het is niet geregistreerd voor ODD/CD en ADHD. Het heeft enig effect op agressie. Studies die ook lange-termijn effecten meten wat betreft veiligheid en effectiviteit ontbreken. Bij het gebruik van Clonidine wordt controle op hartritmeproblemen aangeraden.

Op het professional gedeelte van de site vindt u uitgebreidere informatie over medicatie bij ODD/CD.  

naar boven   

Wat is de prognose?

Bij een groot aantal kinderen helpt de behandeling. Vooral bij het type gedragsstoornis dat in de adolescentiefase is begonnen kunnen goede resultaten worden behaald. Ook de vooruitzichten bij kinderen bij wie de gedragsproblemen zich al op jonge leeftijd voordeden, zijn niet per se zorgwekkend.

Zonder behandeling kunnen oppositioneel-opstandige en antisociale gedragsstoornissen bij kinderen zich voortzetten in de volwassenheid. Bijvoorbeeld in de vorm van delinquent gedrag. Naast een antisociale ontwikkeling is er bij deze kinderen een verhoogd risico in de volwassenheid voor psychiatrische stoornissen. Denk aan persoonlijkheidsstoornissen, depressies en verslaving, voor werkloosheid, frequente wisselingen van baan, afhankelijkheid van sociale voorzieningen, herhaalde echtscheidingen en ziekenhuisopnamen vanwege somatische aandoeningen. Bij meisjes is er bovendien een verhoogd risico voor vroege zwangerschap, het vinden van een antisociale partner en, hiermee samengaand, het hebben van kinderen met gedragsstoornissen.  

naar boven

Onderzoeksinstrumenten

Bij de screening en het diagnostiekonderzoek kan de kinder- en jeugdpsychiater gebruik maken van de volgende vragenlijsten/onderzoeksinstrumenten:  

CBCL (Child Behavior Check List) voor 6- tot 18-jarigen/6-18
De Gedragsvragenlijst voor Kinderen van 6-18 jaar (CBCL/6-18, Child Behavior Checklist for Ages 6-18) is een vragenlijst waarop ouders of andere volwassen die een kind goed kennen, vragen kunnen beantwoorden over vaardigheden en gedrag van een kind. De scores op de probleemschalen Normafwijkend Gedrag en Agressief Gedrag kunnen zowel worden gebruikt als eerste screening voor ODD/CD, als voor het vaststellen van wat er aan de hand is en in welke mate.  

CBCL voor 1½- tot 5-jarigen
De Gedragsvragenlijst voor Kinderen van 1½-5 jaar (CBCL/1½-5, Child Behavior Checklist for Ages 1½-5) is een vragenlijst waarop ouders of andere volwassenen die een kind goed kennen, vragen kunnen beantwoorden over gedrag, moeilijkheden en goede dingen van een kind. De score op de probleemschaal Agressief Gedrag kan zowel gebruikt worden als screening voor ODD/CD als voor het vaststellen van wat er aan de hand is en in welke mate.

YSR voor 11-18 jarigen, de Youth Self-Report for Ages 11-18
De zelf in te vullen vragenlijst voor 11-18 jarigen (YSR) is een vragenlijst waarop jongeren vragen over zichzelf kunnen beantwoorden. Het gaat daarbij voornamelijk om vaardigheden en emotionele en gedragsproblemen. Veel van deze vragen zijn hetzelfde als op de CBCL/6-18, aangevuld met veertien vragen naar sociaal wenselijk gedrag, waarop de meeste jongeren positief antwoorden. De score op de probleemschaal Agressief Gedrag kan worden gebruikt als screening voor ODD/CD, maar ook voor het vaststellen van wat er aan de hand is en in welke mate.

TRF voor 6-18 jarigen en TRF voor 1½-5 jarigen, Teacher’s Report Form for Ages 6-18, ages 1½-5
De Gedragsvragenlijst voor kinderen, Informatie Leerkracht, is een vragenlijst waarop leerkrachten vragen kunnen beantwoorden over schoolwerk, functioneren en emotionele en gedragsproblemen. Ook kunnen leerkrachten scores op schoolvorderingstoetsen en intelligentietests vermelden. De TRF omvat 118 probleemvragen waarvan 93 ook in de CBCL/6-18 voorkomen. De andere vragen gaan over gedrag dat ouders niet goed kunnen waarnemen. Denk daarbij aan: vindt het moeilijk om aanwijzingen op te volgen, stoort andere leerlingen, veroorzaakt onrust in de klas. De scores op de probleemschalen Normafwijkend en Agressief Gedrag kunnen worden gebruikt als screening voor ODD/CD bij de kinderen van 6-18, de score op de schaal Agressief Gedrag kan worden gebruikt bij de screening van kinderen jonger dan 6, maar ook om vast te stellen in hoeverre sprake is van gedragsstoornissen.

SNAP-IV ofwel de De Swanson Nolan and Pelham-IV
De Swanson Nolan and Pelham-IV-lijst is een vragenlijst voor ouders en leerkrachten en meet op een 4-puntsschaal de ernst van ADHD- en ODD/CD-symptomen. De lijst bestaat uit 90 items, maar is ook in verkorte versie van 26 items te gebruiken. Het instrument kan gebruikt worden voor de evaluatie van het effect van behandeling.

MOAS, ofwel de Modified Overt Agression Scale
De Modified Overt Agression Scale is ontworpen als een beschrijvend instrument om nauwkeurig en betrouwbaar verschillende vormen van agressie te meten zoals die voorkomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Er zijn 4 categorieën van agressief gedrag en elke categorie bevat 4 vermeldingen die toenemen in hevigheid. Het instrument kan gebruikt worden voor de evaluatie van het effect van behandeling.

Diagnostiek ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek: De DISC-IV is een gestructureerd interview, af te nemen bij de ouders of de jeugdige. Afhankelijk van het doel binnen het onderzoek kan men zich beperken tot de ODD- en CD-modulen, dan wel modulen van co-morbide stoornissen.

naar boven

Betrouwbare psychologische behandelingen

 

 

 

 Klik hier voor de samenvatting van 'Minder Boos en Opstandig'

 

 

 

 Klik hier voor de beoordeling van 'Minder Boos en Opstandig'

  

 

 

Klik hier voor de samenvatting van 'Zelfcontrole'

 

 

 

 Klik hier voor de beoordeling van 'Zelfcontrole'

 

 

 

 

 

 Klik hier voor de samenvatting van 'Incredible Years / Pittige Jaren'

 

 

 

 

 

 

 

 Klik hier voor de samenvatting van 'Parent Management Training Oregon (PMTO)'

 

 

 

 Klik hier voor de samenvatting van 'Triple P, niveau 4'

 

 Klik hier voor de samenvatting van 'Triple P, niveau 5'

 

 

  

 Klik hier voor de samenvatting van 'Multisysteem Therapie (MST)'

 

 

 

 

 Klik hier voor een samenvatting van 'Parent-Child Interaction Therapy (PCIT)'

 

 

 Klik hier voor de samenvatting van 'Functional Family Therapy (FFT)'

 

 

 

 

 Klik hier voor een samenvatting van 'MultiDimensionele FamilieTherapie (MDFT)'

 

 

naar boven

 

Mail uw kennis

Deel de informatie op deze pagina met een ander door onderstaande velden in te vullen:
Naam afzender:
E-mail afzender:
Naam ontvanger:
E-mail ontvanger: