De RCT van Haas et al 2009, is een trial die twee verschillende doses risperidon vergelijkt op effectiviteit en veiligheid. Het is een goed opgezette trial met een adequate power (n=257). De hoge dosering risperidon (1.5-6 mg/dag) had in vergelijking met de lage dosis (0,15-0,6mg/dag) een betere effectiviteit in de PANSS score voor de behandeling van schizofrenie patiënten bij adolescenten tussen de 13 en 17 jaar. De PANSS score effect size van de hoge dosering bedroeg 0.49 (P<0.001) ten opzichte van de lage dosering.
De systematische review van Madaan et al 2009 is een review over effectiviteits studies van risperidon in adolescenten met schizofrenie. Deze studie laat het bewijs zien voor de goedkeuring van risperidon gebruik bij adolescenten voor schizofrenie door de FDA (Food Drug Administration). Drie dubbelblind studies vormen het bewijs voor deze goedkeuring en er zijn ook nog 5 open-label studies en 1 retrospectieve studie opgenomen. De studies van Haas et al 2007, Pandina et al 2007 en Sikich et al 2004 zijn de drie dubbelblind studies (n=489). In alle drie de studies is de effectiveit van de risperidon behandeling volgens goed genoeg voor de behandeling van schizofrenie bij adolescenten.
De studie van Kryzhanavskaya et al 2009 is een goed opgezette RCT die flexibele doseringen van olanzapine vergelijkt met een placebo op effectiviteit en tolerantie. De 6 weken durende RCT bestond uit randomisatie van 2:1 met 72 patiënten in de olanzapine groep en 35 patiënten in de placebo groep. Meer patiënten in de olanzapine groep completeerden de studie vergeleken met de placebo groep, respectievelijk 68% vs 43%. Voor de uitkomstmaten voor effectiviteit kwam de olanzapine-behandelingsgroep er significant beter uit vergeleken met de placebo groep.
De systematische review van Fremaux et al 2007 beschrijft het gebruik van olanzapine bij kinderen met psychiatrische aandoeningen (niet alleen met de diagnose schizofrenie). Voor therapieresistente schizofrenie bij kinderen werden 2 open-label studies gevonden en 1 case report (totaal n=19). Drie van de 19 rapporteerden een significant verbetering door de behandeling met olanzapine. Voor kinderen met een eerste episode van schizofrenie werden 2 open-label studies gevonden (totaal n=34). Van de deelnemers lieten 27 van de 34 deelnemers een significante verbetering zien. Met betrekking tot adolescenten werden 5 studies gevonden, 4 open-label en 1 dubbel blind trial. In de open label studies was de respons op olanzapine, en ook voor risperidon en haloperidol goed. Olanzapine en risperidon leidden tot een betere respons dan haloperidol. De dubbel blind studie met 263 volwassenen en adolescenten bevestigde de superioriteit van olanzapine boven haloperidol voor een langere periode van 12 weken. Over het algemeen waren de resultaten over de effectiviteit van olanzapine ten opzichte van haloperidol wisselend, vergeleken met risperidon bleek olanzapine even effectief te zijn voor de behandeling van schizofrenie bij kinderen en adolescenten. De meest optredende bijwerking was gewichtstoename, en dat trad vaker bij kinderen op dan bij volwassenen. De gewichtstoename was groter bij een olanzapine behandeling dan bij behandelingen met risperidon of haloperidol.
De RCT van Findling et al 2008a is een goed opgezette trial die twee verschillende doses aripiprazol vergelijkt met een placebo in adolescenten met de diagnose schizofrenie. De 6 weken durende RCT had een randomisatie van 1:1:1 met 100 patiënten in de aripiprazol groep 10 mg groep, 102 patiënten in de aripiprazol groep 30 mg groep en 100 patiënten in de placebo groep. Voor beide behandelingsgroepen was er een significante daling in de PANSS score ten opzichte van de placebo behandeling.
Kumra et al 2007, onderzocht clozapine en hoge dosis olanzapine in een 12 weken durende dubbelblind vergelijkende studie onder 39 adolescenten met schizofrenie diagnose. De belangrijkste uitkomstmaat was respons (verbetering), gedefinieerd als verlaging van tenminste 30% van de BPRS score en verbetering van 1 of 2 van CGI-score. Significant meer participanten uit de clozapine groep (66%) voldeden aan de respons criteria vergeleken met de olanzapine groep (33%).
De Cochrane review van Kennedy et al 2007 is een uitgebreide systematische review die alle RCT’s over antipsychotica bij childhood onset schizophrenia heeft onderzocht. Dataverzameling en -analyse gebeurde volgens strenge richtlijnen. Zes relevante trials zijn geselecteerd in de periode 1970-2006. Drie categorieën trials werden geïdentificeerd: atypisch vs. klassiek, atypisch vs. atypisch (Shaw 2006, hieronder apart besproken) en klassiek vs. klassiek. De belangrijkste uitkomstmaten waren klinische respons en bijwerkingen. Alleen voor de vergelijking clozapine versus haloperidol is een significant verschil gevonden. Clozapine bleek een betere behandeling voor resistant childhood-onset schizophrenia (n=21) vergeleken met haloperidol.
De dubbelblind gerandomiseerde clozapine-olanzapine vergelijkende studie van Shaw et al 2006 is een goed opgezette studie onder kinderen tussen 7-16 jaar met childhood-onset schizofrenie en resistentie voor minstens twee antipsychotica. Van de clozapine groep (n=12) en de olanzapine groep (n=13) completeerden iedereen, behalve 1 deelnemer, de 8 weken durende trial. Daarna was er nog twee jaar een open-label follow-up met 15 patiënten die clozapine gebruikten. In de clozapine groep was een significante verbetering in de uitkomstmaten voor de effectiviteit geconstateerd, voor olanzapine was het profiel voor klinische verbetering minder consistent. Bij de twee jaar open-label follow-up studie bleef de klinische verbetering van de behandelingen overeind maar werden de bijwerkingen van de clozapine behandeling erger.
Jensen et al 2007 voerde een systematische review uit om alle artikelen van 1994-2006 te identificeren over atypische antipsychotica in psychiatrische aandoeningen bij kinderen en adolescenten. In totaal werden 19 dubbelblinde studies en 22 open-label studies gevonden, waarvan 6 specifiek voor psychoses, waaronder schizofrenie. Twee dubbelblinde studies vergeleken de atypische antipsychotica clozapine, risperidon en olanzapine met het klassieke antipsychoticum haloperidol. In beide studies was de effectiviteit van de atypische medicijnen hoger, maar waren er meer bijwerkingen en gewichtstoename bij deze groep medicijnen gerapporteerd. In de open-label studies waren de bevindingen voor de atypische medicijnen hetzelfde: goede effectiviteit en een significante toename van bijwerkingen. De auteurs suggereren dat de meeste atypische antipsychotica, behalve clozapine, een positieve risk/benefit ratio hebben en effectief zijn in het reduceren van symptomen van psychiatrische aandoeningen. Er wordt geconcludeerd dat er nog niet voldoende studies zijn naar de lange termijn effecten van het gebruik van deze middelen voor behandeling van verschillende psychiatrische aandoeningen.
Masi et al 2006 voerde een systematische review uit gericht op de effectiviteit van alle atypische antipsychotica voor de behandeling van schizofrenie bij kinderen onder de twaalf jaar. Er waren weinig studies over de effectiviteit van deze medicijnen, en nauwelijks dubbelblind gerandomiseerde studies. Alleen voor clozapine, olanzapine en risperidone werden studies geïncludeerd. Voor clozapine waren zeven studies geïncludeerd (n totaal = 26), voor risperidone (n totaal =36) en voor olanzpine zeven studies (n totaal = 72). Er waren geen studies over de effectiviteit van de overige atypische medicijnen quetiapine, ziprasidon en aripiprazol. Voor de effectiviteit van de behandeling werden verschillende uitkomstmaten gehanteerd, en er was rapportage van bijwerkingen. Er was meer bewijs beschikbaar over de effectiviteit van risperidon en olanzapine dan voor clozapine. Clozapine lijkt alleen een effectieve optie voor treatment-refractory cases te zijn.
De systematische review en meta-analyse van Armenteros et al 2006 is een nauwkeurige studie met als doel basis voor bewijs te verzamelen over de effectiviteit van antipsychotica voor de behandeling van schizofrenie bij kinderen en adolescenten. Vijftien studies voldeden aan de inclusiecriteria. Van de 8 studies met atypische medicijnen was de gemiddelde respons 55,7%, tegenover een gemiddelde respons van 72,3% van de 13 studies met klassieke medicijnen (p<0.10, effect size 0.36). Na het includeren van studie kwaliteit in het model bleven deze resultaten onveranderd. Er werd geconcludeerd dat eerste-generatie medicijnen effectiever lijken te zijn en tot minder gewichtstoename leiden in vergelijking met tweede-generatie medicijnen. Opgemerkt werd dat er op dit gebied nog te weinig bewijskrachtige klinische trials met voldoende power zijn uitgevoerd.