Professionals

Mail uw kennis door!

Farmacotherapie bij Borderline Persoonlijkheidsstoornissen

Auteur: Drs. C. Huijgen
Datum: 1 december 2011

> Samenvatting
> Algemeen
> Antipsychotica
> Stemmingsstabilisatoren
> Antidepressiva
> Overige middelen
> Literatuur

Samenvatting

Aanbevelingen

  • Bepaal of comorbide as 1 stoornissen (stemmingsstoornissen, middelenmisbruik, angststoornissen, eetstoornissen, PTSS en ADHD) voor, tegelijk of na de BPS behandeld moet worden. De afgrenzing met BPS kan daarbij complex zijn vanwege het grillige en uitgebreide symptoombeeld.
  • Behandel de BPS eerst met evidence- based psychologische behandelvormen.
  • Overweeg medicamenteuze behandeling van symptoomclusters:
    o wanneer dit vrijheidsbeperkende maatregelingen kan voorkomen of verminderen, bijvoorbeeld bij het optreden van ernstige impulsdoorbraken;
    o in het geval van een ernstig dan wel verslechterend psychiatrisch toestandsbeeld;
    o bij uitblijven van effect na drie maanden behandeling met een evidence- based psychologische behandelvorm en bij aanhoudende of recidiverende symptomen die een evidence- based psychologische behandelvorm in de weg staan.
  • Breng medicamenteuze target symptomen onder in een van de volgende drie symptoomclusters en start met het aangegeven middel van voorkeur. Bij meerdere symptoomclusters: behandel eerst 1), dan 2), dan 3).
    1) cognitief perceptuele problemen: voorkeur voor antipsychoticum in een lage dosering;
    2) impulsieve gedragingen: stemmingsstabilisator of een antipsychoticum in lage dosering;
    3) affect- disregulatie problemen: a) labiel affect: SSRI of stemmingsstabilisator; b) depressieve stemming: atypisch antipsychoticum in lage dosering of een SSRI; c) boosheid/ prikkelbaarheid: stemmingsstabilisator of een antipsychoticum in lage dosering; d) angst: een antipsychoticum in lage dosering of een benzodiazepine in noodsituaties.
    Vermijd TCA’s, carbamazepine, benzodiazepinen, MAO-remmers en lithium.
  • Bespreek met jongere en ouders doelsymptomen, evaluatiemomenten en duur waarop de medicatie gegeven zal worden, alsmede het mogelijke 'off label’ gebruik en bijwerkingen.
  • Voorkom langdurig medicatie gebruik en polyfarmacie. Monitor het effect na afbouw/stoppen. Schrijf  beperkte hoeveelheden voor en bespreek het beheer van de medicatie in verband met mogelijk suïcidaal gedrag.

 

Flowchart farmacotherapie bij jongeren met BPS

Naar boven

 


Algemeen

Beschrijving van de problematiek

Volgens de DSM- IV-TR en conform het advies van de NICE guidelines  kan de diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS), zij het met de nodige zorgvuldigheid, ook bij jongeren onder de 18 jaar worden gesteld. De huidige DSM- IV-TR wordt als uitgangspunt gebruikt waarbij de diagnose BPS ondersteund wordt met de beschreven semi- gestructureerde interviews en vragenlijsten, zie diagnostiek bij BPS.

Naast het in kaart brengen van de BPS symptomen is het diagnosticeren van comorbide  as 1 stoornissen van belang. Comorbide stoornissen komen bij jongeren met BPS frequent voor:  stemmingsstoornissen, angststoornissen, eetstoornissen, somatoforme stoornissen, middelenmisbruik, en/of ADHD. Het is in de praktijk vaak lastig deze te differentiëren van de BPS gezien het grillige en uitgebreide symptoombeeld. Het blijkt dat comorbiditeit met een stemmingsstoornis en/of met middelen gebruik het suïcide risico bij volwassenen met BPS verhogen (Lieb, 2010) en dat aanhoudende as 1 stoornissen  het beloop en de remissie van BPS negatief beïnvloeden (Zanarini, 2004).

Het aantal dubbelblind placebo gecontroleerde onderzoeken naar medicatie gericht op comorbide  as 1 stoornissen is beperkt. Uit onderzoek bij volwassenen met BPS waarin SSRI gevoelige comorbiditeit is meegenomen, zoals angst en depressieve stoornissen, blijkt dat een SSRI meer verbetering geeft dan placebo (Markovitz, 1995, Rinne e.a., 2002, Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ, 2008).
Bij (vrouwelijke) adolescenten met ADHD en BPS  zijn er aanwijzingen dat behandeling met methylfenidaat (<60 mg/dag)  de symptomen van zowel ADHD als BPS verbetert en dat de behandeling goed getolereerd wordt (niveau evidentie 3), (Golubchik e.a., 2008).

Dubbelblind placebo- gecontroleerde onderzoek naar de effectiviteit van farmacotherapie bij jongeren met BPS (< 18 jaar) is niet verricht. Toch wordt  medicatie bij jongeren met BPS, evenals bij volwassenen, vaak voorgeschreven. 
Uit het onderzoek van Wöckel (2010) over medicatiegebruik bij jongeren met BPS die bij de academische centra in Duitsland behandeld zijn, blijkt dat van de opgenomen jongeren 75% medicatie gebruikt, waarvan de helft meer dan één middel. Van de ambulant behandelde jongeren met BPS gebruikt 25 % medicatie. De mate van de ernst van de problematiek, de comorbiditeit ( bij opgenomen jongeren 34 %), het suïcidale  en zelfverwonderd gedrag in een klinische setting hangen samen met het medicatiegebruik.
 
Bij  afwezigheid van goed uitgevoerde trials en bij aanwezigheid van een hoog voorschrijfgedrag is het belangrijk dat therapeutische beslissingen genomen worden op basis van “current best evidence”  (Mercer, 2009). In de NICE guidelines wordt hieraan toegevoegd dat bij gebrek aan kwalitatief goed onderzoek bij jongeren de algemene principes en aanbevelingen die bij volwassenen gelden, gebruikt kunnen worden indien er informed consent  met ouders en de jongere is.


Medicatie gericht op symptoomclusters van BPS

De APA heeft in 2001 een algemeen geldende behandelrichtlijn voor farmacotherapie gericht op symptoomclusters  van borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS) bij volwassenen opgesteld (Soloff 2000, 1998). Deze is gebaseerd op RCT’s, open studies en klinische ervaringen.

In 2008 is in de Nederlandse Multidisciplinaire Richtlijn Persoonlijkheidsstoornissen voor diagnostiek en behandeling bij volwassenen een medicatierichtlijn opgesteld. Deze richtlijn is gebaseerd op placebo- gecontroleerde RCT’s. Het gaat om gewogen aanbevelingen, waarbij het aantal onderzoeken en de methodologische beperkingen zijn meegenomen.

De algemene strekking van de medicatieonderzoeken bij volwassenen met BPS is dat stemmingsstabilisatoren een belangrijke plaats in de behandeling van impulsieve gedragingen en disregulatie van affecten innemen. Antipsychotica zijn bij cognitief- perceptuele symptomen het meest aangewezen. 
Later verschenen metastudies van de RCT’s, (Ingenhoven, 2009, 2010, 2011, Lieb 2010 en Mercer, 2009) onderschrijven deze GGZ richtlijn en aanbevelingen.

De in de Multidisciplinaire Richtlijn Persoonlijkheidstoornissen bij Volwassenen (2008) gebruikte onderverdeling in symptoomclusters van de BPS wordt hier aangehouden. De drie symptoomclusters zijn hiërarchisch geordend naar volgorde van medicamenteuze behandeling:
a) Cognitief- perceptuele symptomen: achterdocht, betrekkingsideeën, paranoïde ideatie, illusoire belevingen, derealisatie, depersonalisatie en (pseudo) hallucinatoire belevingen;
b) Impulsieve gedragingen: impulsieve agressie, suïcidaal en zelfverwondend gedrag, promiscuïteit, middelenmisbruik en roekeloos geld uitgeven;
c) Disregulatie van affecten: stemmingswisselingen, buitenproportionele intense boosheid, woede uitbarstingen, depressieve ‘mood crashes’:
   • Stemmingswisselingen;
   • depressieve stemming (zonder depressie in enge zin);
   • boosheid/ vijandigheid (zonder verlies impulscontrole);
   • angst.

Op de overige criteria van BPS: identiteitsproblematiek en problemen in relaties is farmacotherapie niet primair gericht. Ook voor dissociatie worden geen aanbevelingen gedaan.

Plaatsbepaling psychofarmaca bij jongeren met BPS

Een jongere met borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS) zonder comorbide  as 1 problematiek is beter af zonder medicatie en in eerste instantie gebaat bij een op de persoonlijkheidsproblematiek afgestemde evidence- based psychologische behandelvorm zoals DGT, ERT en MBT (Teusch e.a., 2001). Medicatie kan, indien het gericht is op specifieke symptomen of symptoomclusters van de BPS, in voorkomende gevallen een aanvullende en ondersteunende waarde hebben.

Medicatie is te overwegen in het kader van een meer omvattend  behandelingsplan:
* om meer vrijheidsbeperkende maatregelingen te voorkomen;
* bij een ernstig dan wel verslechterend psychiatrisch toestandsbeeld;
* bij het niet profiteren van een evidence-based psychologische behandelvorm na drie maanden en bij aanhoudende of recidiverende symptomen die de voortgang van een evidence-based behandeling verhinderen.

In de overwegingen om al dan niet medicatie bij jongeren met BPS te geven is  het van belang de potentiële bijwerkingen en de risico’s bij een mogelijke overdosering af te wegen. Ook is er bij deze doelgroep  risico op medicatieafhankelijkheid en blijkt de therapietrouw vaak matig te zijn. Bij volwassenen met BPS is de placeborespons op medicatie hoog, 60-70% (Ingenhoven & Rinne, 2007). Dit weerspiegelt het natuurlijk beloop van de symptomen in combinatie met de non-specifieke factoren van het behandelaanbod.

Polyfarmacie dient zoveel mogelijk voorkomen te worden (o.a. Zanarini, 2004, Sansone, 2003). Het kan verdere gedragsontregeling, cognitieve functiestoornissen en andere ernstige bijwerkingen geven en/of leiden tot een verslechtering van het algemene functioneren. De aanvullende waarde van de polyfarmacie is nauwelijks onderzocht (Ingenhoven, 2007, 2009).

Naar boven


Antipsychotica

Effectiviteit

Antipsychotica bij borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS) kunnen in veel gevallen al in een relatief lage dosering effectief zijn. De gunstige effecten lijken echter van tijdelijke aard te zijn. Geadviseerd wordt de medicatie weer af te bouwen -indien mogelijk- als de symptomen onder controle zijn (Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijn ontwikkeling in de GGZ, 2008). Bij jongeren kunnen antipsychotica sneller bijwerkingen geven (Fraguas, 2010). Het advies is: “start low and go slow”.

Antipsychotica zijn eerste keuze bij  cognitief- perceptuele symptomen en komen ook in aanmerking bij impulsieve gedragingen en affectieve disregulatie. De keuze van het type antipsychoticum wordt op  basis van het bijwerkingenprofiel gemaakt. Zo kan bijvoorbeeld bij een jongere met overgewicht gekozen worden voor een middel dat  minder metabole bijwerkingen heeft. Olanzapine ( 2,5-10 mg/dag) is bij volwassenen met BPS het meest onderzocht  (Soler, 2005, Zanarini, 2001, Schulz, 2008). Het effect op suïcidaal gedrag en automutilatie is echter niet aangetoond en ook zijn de resultaten op de langere termijn niet eenduidig. Zowel met risperidon (0,5-2 mg/dag) als met olanzapine is bij jongeren veel (onderzoeks)ervaring opgedaan. Deze middelen kunnen echter hyperprolactinaemie en metabole bijwerkingen geven. Andere antipsychotica zoals quetiapine ( 75-300 mg/dag), aripiprazol (5-10 mg/dag) en haloperidol ( 0,5-5 mg/dag) kunnen bij jongeren met BPS eveneens toegepast worden.

RCT’s over quetiapine bij volwassenen met BPS zijn in ontwikkeling. Recent is in een open studie bij volwassenen met BPS naar voren gekomen dat quetiapine in lage dosering ( < 75 mg dd) op dysfore stemming, geagiteerdheid en het slapen effect heeft (Bisol, 2010). Aripiprazole geeft bij een groep  (jong)volwassenen met BPS van 16 jaar en ouder op alle symptoomclusters verbetering. Het bijwerkingpatroon is mild en het heeft minder effect op de metabole parameters, de prolactine spiegel en het gewicht dan andere atypische antipsychotica  (Nickel, 2006, Nickel, 2007). Mogelijk is deze verbetering op de BPS symptoomclusters gunstiger dan die van andere antipsychotica. Het onderzoek is  echter nog niet gerepliceerd. Aripiprazol is vanaf 15 jaar voor schizofrenie geregistreerd en wordt bij overprikkelbaar gedrag ook bij  jongere kinderen met PDD gebruikt (Marcus, 2009). Ook is het bij jongeren met een bipolaire stoornis onderzocht (Findling, 2009). De meeste onderzoeken naar het effect van haloperidol bij volwassenen met BPS zijn van eerdere datum (Soloff 1993, Cornelius 1993). Soloff suggereert dat antipsychotica in lage dosering een bescheiden overall reductie van de acute symptomen bij volwassenen met BPS kan geven.

Uit een open trial bij jongeren met BPS komen aanwijzingen naar voren dat een lage dosis van flupentixol (3 mg/dag) een effectief en een goed getolereerd medicijn kan zijn bij kortdurend gebruik (Kutcher et al., 1995). In Nederland wordt het middel echter bij jongeren niet tot nauwelijks voorgeschreven.

Belangrijke informatie

Dosering: Langzaam en individueel optitreren is gewenst. Een lage dosering van een antipsychoticum kan al effect hebben. Streven naar kortdurend gebruik.

Veiligheid/bijwerkingen: Informatie over contra-indicaties, veiligheid en bijwerkingen (o.a. gewichtstoename) zijn te vinden onder bijwerkingen algemeen bij antipsychotica in het formularium.

 Naar boven

Stemmingsstabilisatoren

Effectiviteit

Stemmingsstabilisatoren hebben bij volwassenen met BPS een gunstig effect op de impulsieve gedragingen en de disregulatie van affecten. Uit meta-analyses van RCT’s blijkt dat stemmingsstabilisatoren een zeer groot significant effect hebben op impulsieve gedragingen en een groot significant effect op affect regulatieproblemen. Ook blijkt het algemene functioneren meer te verbeteren dan met antipsychotica en SSRI’s  (Ingenhoven 2009, 2010, Lieb 2010). MacKinnon (2006) suggereert dat bij bepaalde vormen van bipolaire stoornissen (rapid mood switching) en BPS dezelfde onderliggende mechanismen een rol spelen.

Bij jongeren met BPS welke gepaard gaat met impulsieve gedragingen en/of boosheid (zonder impulsief gedrag) hebben, conform de multidisciplinaire richtlijn van volwassenen met BPS, de stemmingsstabilisatoren de voorkeur. Bij  stemmingswisselingen is het een 2e keuze middel. Bij andere affect disregulatieproblemen kunnen ze overwogen worden. Gezien de beperkte mate van ervaring met deze medicatie bij jongeren met BPS is er aarzeling deze middelen voor te schrijven. In de komende tijd zullen meer data over de werking en de bijwerkingen bij jongeren beschikbaar komen.

In de kinder- en jeugdpsychiatrie is er enige ervaring met valproaat (spiegel: 60-80 µg/ml). Ook is er   onderzoek naar verricht (Kowatch, 2005, Dovovan, 2000 (zie ook ODD/CD). Voor de mogelijke bijwerkingen en interacties zie het formularium. Bloedspiegels moeten bepaald worden en bijwerkingen kunnen optreden (o.a misselijkheid, gewichtstoename, sufheid, laboratoriumafwijkingen, en in zeldzame gevallen polycysteus ovarium syndroom en pancreatitis). Interacties met andere geneesmiddelen zijn mogelijk en valproaat is iets minder effectief dan topiramaat bij de impulsieve gedragingen. Het is dan ook de vraag of topiramaat bij jongeren met BPS niet een belangrijkere plaats dient in te nemen. In de nieuwe behandelalgoritmes voor volwassenen worden toparimaat en lamotrigine aanbevolen en valproaat vanwege de interacties en bijwerkingen ontraden (Ingenhoven, 2011).Topiramaat heeft een positief effect op angst, somatisatie en agressie, een mild bijwerkingpatroon en bloedspiegelbepalingen zijn niet nodig (Loew, 2006, Nickel, 2004). In de kinder- en jeugdpsychiatrie is er echter nauwelijks ervaring mee opgedaan en nog niet voldoende onderzocht ( Kowatch, 2005). Bij kinderen en jongeren met epilepsie- waarbij het in hogere doseringen wordt gegeven- is topiramaat vanwege de concentratie- en aandachtsproblemen geen middel van eerste keuze (Glauser 2007). Het blijkt dat topiramaat iets meer negatieve cognitieve effecten heeft dan valproaat (Gomer, 2007). Bij een dosering tot 50 mg/dag zou de invloed op het leren beperkt zijn. Overige bijwerkingen zijn: hoofdpijn, gewichtsverlies, duizeligheid, dufheid en parasthesiëen. Bij volwassenen met BPS is de advies dosering tussen de 50-200 mg/dag. Indien het bij jongeren met BPS overwogen wordt dan wordt geadviseerd het langzaam op te bouwen i.v.m. de cognitieve bijwerkingen en het in lagere doseringen dan bij volwassen te geven ( b.v opbouw met 25 mg per week tot 50-mg/dag, max 200 mg/dag). Lamotrigine wordt eveneens in de multidisciplinaire richtlijn voor volwassenen aanbevolen. Bij  jongeren is het echter nauwelijks onderzocht en voorgeschreven (Carandang, 2003, Carandang, 2007). Het kan leiden tot het Stevens- Johnson Syndroom. Risicofactoren hiervoor zijn: jonge leeftijd, hoge start dosis, snel ophogen van de dosering en een combinatie met valproaat. De FDA heeft voor de USA vanwege het grotere gevaar bij kinderen voor dit syndroom een black box waarschuwing afgegeven. Het is om deze redenen niet opgenomen in behandelrichtlijn voor bipolaire stoornissen voor kind en jeugd, met de opmerking dat nader onderzoek wenselijk is omdat het risico voor het Stevens- Johnson Syndroom mogelijk toch kleiner is dan aanvankelijk gedacht (Kowath, 2003).

Lithium is nauwelijks onderzocht bij BPS, heeft een geringe therapeutische breedte, is gevaarlijk bij overdosering en kan ernstige bijwerkingen geven. Bijwerkingen zijn o.a: polyurie, gewichtstoename, oedeem, trillen, fysieke inactiviteit en mentale vervlakking. Op de langere termijn kan het nierfalen en hypothyreoïdie geven. Het wordt als zodanig, conform de GGZ richtlijn voor volwassenen met BPS,  niet bij jongeren met BPS aanbevolen (Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire richtlijnontwikkeling in de GGZ, 2008).

Carbamapezine wordt bij volwassenen met BPS afgeraden. Het kan een verdere gedragsontregeling geven, tot ernstige bijwerkingen leiden- zoals een ernstige depressieve episode-  en het kan met andere medicatie interfereren. Bloedspiegelbepaling is nodig en het effect op agressie en affectieve symptomen is niet aangetoond.

Belangrijke informatie

Dosering: Valproaat: zie het formularium en de richtlijn voor bipolaire stoornissen bij volwassenen. Er wordt gestreefd naar een spiegel van 60-80 µg/ml.
Toparimaat: 50 mg, max 200 mg dd.

Contra-indicaties: zie het formularium.

Bijwerkingen: Valproaat: het is belangrijk verdacht te zijn op een mogelijk ontstaan van een polycysteus ovarium syndroom. Aanwijzingen hiervoor zijn: veranderingen in de menstruatiecyclus, hirsutisme, alopecia, en acne.

Toparimaat kan leiden tot gewichtsverlies en wordt bij adolescenten met een comorbide anorexia nervosa  derhalve ontraden. Aan de andere kant kan een voorkomende gewichtsafname bij jongeren met zelfbeeldproblematiek en (licht)overgewicht een gunstig nevenbetekenis hebben. Een goede anticonceptie is wenselijk vanwege teratogeen effect. In een dosering van minder dan 200 mg/dag is geen zwaardere anticonceptiepil vereist tenzij er doorbraakbloedingen zijn.

Naar boven


Antidepressiva

Effectiviteit

Indien medicatie bij stemmingswisselingen geïndiceerd is dan kan een SSRI overwogen worden (Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire richtlijnontwikkeling in de GGZ, 2008). Uit het onderzoek van Rinne (2002) blijkt dat fluvoxamine  meer verbetering op snelle stemmingswisselingen geeft dan placebo. Fluoxetine is bij kinderen en jongeren het best onderzocht, zie ook het medicatieprotocol bij depressie.

SSRI’s lijken minder effectief bij borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS) dan aanvankelijk gedacht is (Abraham, 2008). Uit het Cochrane review (2010) van volwassenen met BPS  blijkt dat SSRI’s geen eenduidig effect op de depressieve stemming (zonder depressie i.e.z.) hebben (Simpson et al, 2004). Tevens is er geen effect  op impulsief gedrag en/of boosheid of op dysfore stemming en gevoel van leegte aangetoond (Herpertz, 2007).

TCA’s  blijken onvoldoende effectief bij affectieve symptomen van BPS, en kunnen zelfs een toename geven van suïcidaal gedrag, paranoïdie, suïcidale ideatie, claimend en vijandig gedrag. Ze worden bij volwassenen met BPS afgeraden.

Clomipramine wordt bij ernstige (niet op een SSRI reagerende) OCD gebruikt. OCD als comorbide diagnose kan bij jongeren met BPS voorkomen en in die zin een plaats hebben in de behandeling (link OCD). Pas dan op  voor een mogelijke toename van impulsief gedrag bij jongeren met BPS (zoals beschreven bij tricyclische antidepressiva).

Overige moderne antidepressiva zijn bij volwassenen nauwelijks onderzocht. Mianserine bleek niet effectief (Montgomery, 1983).

MAO- remmers worden weinig bij jongeren gebruikt, mede vanwege het noodzakelijke dieet, het risico op hypertensieve crisis, orthostatische hypotensie en het gevaar bij overdosering. Ze worden derhalve bij jongeren met BPS niet geadviseerd.

Belangrijke informatie

Dosering: Zie richtlijn voor depressie en het formularium.

Veiligheid: Let op een mogelijke  toename van suïcidaal gedrag na het starten van een SSRI en/of de kans op het ontwikkelen van een (hypo)manie bij jongeren die daarvoor gevoelig zijn.

Clomipramine: Pas op voor een toename van impulsief gedrag (zoals beschreven bij tricyclische antidepressiva).

Bijwerkingen: zie formularium.

Naar boven


Overige middelen

 

ADHD medicatie

Effectiviteit

Het is de vraag welke plaats ADHD medicatie bij jongeren met borderline persoonlijkheidsstoornis  heeft. Uit de literatuur blijkt een significante correlatie te zijn tussen volwassenen met BPS met impulsieve kenmerken en een voorgeschiedenis van ADHD symptomen (Davids, 2005). ADHD zou voor die subgroep van BPS een risicofactor kunnen zijn. Er zijn aanwijzingen dat behandeling met methylfenidaat (<60 mg/dag) bij (vrouwelijke) jongeren met ADHD en BPS de symptomen van zowel ADHD als BPS verbetert en dat de behandeling goed getolereerd wordt (Golubchik et al., 2008). Het is dan ook belangrijk een mogelijke comorbide  ADHD en/of ODD/CD  diagnose bij een jongere met BPS  te stellen en medicamenteus te behandelen. In de praktijk komt dit regelmatig voor. Clonidine heeft bij een open studie een mogelijk effect op innerlijke spanning, automutileren en dissociatie, er zijn echter geen RCT ’s bekend. In een kleine PC-RCT bleek clonidine op de symptomen van BPS geen effect te hebben (Ziegenhorn, 2009).

Belangrijke informatie over veiligheid, dosering en bijwerkingen zie het formularium.

Anxiolytica

Effectiviteit

In de WFSBP richtlijn ( Herpertz, 2007) voor volwassenen met BPS worden benzodiazepinen vanwege het mogelijke paradoxale effect, de interactie met psychologische behandelvormen,  het risico van afhankelijkheid en toename suïcidaal gedrag, ontraden.

In noodsituaties kunnen benzodiazepinen overwogen worden. Geadviseerd wordt ze zo laag mogelijk en zo kort mogelijk te geven (Cowdry, 1988).

Belangrijke informatie

Dosering: zie het formularium.

 

Omega 3-vetzuursuppletie

In een onderzoek bij jongeren van 16 jaar en ouder met zelfbeschadigend gedrag komt naar voren dat omega 3-vetzuursuppletie een algehele invloed op stress, depressieve klachten en suïcidaal gedrag kan hebben los van de stoornis, en dat het niet zo zeer op impulsiviteit, agressie en vijandigheid effect heeft (Hallahan, 2007).

Zanarini en Frankenberg (2003) onderzochten het effect van Omega 3 vetzuren (visolie) op affectieve symptomen bij volwassenen met BPS. Zij vonden in een pilot studie dat  ethyl-eicosapentaenoic (E-EPA) een significante afname van depressieve symptomen en agressief gedrag gaf. Het onderzoek is nog niet gerepliceerd.

Van visolie is bekend dat het als voedselsupplement veilig kan worden voorgeschreven en een relatief licht bijwerkingprofiel heeft. 

Naar boven

Literatuur

Voor beschikbare evidence tabellen van de literatuur, klik hier.
 

Abraham, P.F., & Calabrese, J.R. (2008). Evidenced- based pharmacologic  treatment of borderline personality disorder:  A shift from SSRIs  to anticonvulsants and atypical antipsychotics. Journal of Affective Disorders, 111, 21-30.

American Psychiatric Association (2001). Practice guideline for the treatment of patients with borderline personality disorder. American Journal of Psychiatry, 15, 1-52

Binks, C.A., Fenton, M., McCarthy, L., Lee, T., Adams, C.E., & Duggan, C. (2009). Pharmacological interventions for people with borderline personality disorder (Review), The Cochrane Collaboration, published by John Wiley & Sons, ltd.

Bisol, L.W., & Lara, D.R. (2010). Low-dose quetiapine for patients with dysregulation of hyperthymic and cyclothymic temperaments. Journal of Psychopharmacology 24, 421-424.

Carandang, C.G., Maxwell, D.J., & Robbins, D.R. (2003). Lamotrigine in adolescent mood disorders. Journal American Academic Child and Adolescent Psychiatry, 42, 750-751.

Carandang, C.G., Robbins, D.R., Mullany, E., Yazbek, M.,  Minot, S. (2007). Lamotrigine in adolescent mood disorders: a retrospective chart review. Journal Canadian Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 16, 1-8.

Cornelius, J.R., Soloff, P.H., & Perel, J.M. (1993). Continuation pharmacotherapy of borderline personality disorder with haloperidol and phenelzine. American Journal of Psychiatry, 150, 1843-1848.

Cowdry, R.W., & Gardner, D.L. (1988). Pharmacotherapy of borderline personality disorder: alprazolam, carbamazepine, trifluoperazine, and tranylcypromine. Archives of General Psychiatry, 45, 111-119.

Davids, E., & Gastpar, M. (2005). Attention deficit hyperactivity disorder and borderline personality disorder. Progress in Neuro- Psychopharmacology & Biological Psychiatry, 29, 865-877.

Donovan, S.J., Stewart, J.W., Nunes, E.V., Quitkin, P.M., Parides, M., Daniel, W., Susser, E., & Klein, D.R. (2000). Divalproex treatment for youth with explosive temper and mood lability: a double-blind, placebo-controlled crossover design. American Journal of Psychiatry, 157, 818-820.

Findling, R.L., Nyilas, M., Forbes, R.A., McQuade, R.D., Jin, N., Iwamoto, T., Ivanova, S., Carson, W.H., & Chang, K. (2009). Acute treatment of pediatric bipolar I disorder, manic or mixed episode, with aripiprazole: A randomized, double-blind, placebo- controlled study. Journal of Clinical Psychiatry, 70, 1441-151.

Frankenburg, F.R., & Zanarini, M.C. (2002). Divalproex sodium treatment of women with borderline personality disorder and bipolair II disorder: a double- blind, placebo-controlled pilot study. Journal of Clinical Psychiatry, 63, 442-446.

Fraguas, D., Correll, C.U.,  Merchán-Naranjo, J., Rapado-Castro, M., Parellada, M., Moreno, C., & Arango, C. (2010). Efficacy and safety of second-generation antipsychotics in children and adolescents with psychotic and bipolar spectrum disorders: Comprehensive review of prospective head-to head and placebo-controlled comparisons. European Neuropsychopharmacology, 21, 621-645.

Glauser, T.A., Dlugos, D.J., Dodson, W.E., Grinspan, A., Wang, S., & Wu, S. (2007). Topiramate monotherapy in newly diagnosed epilepsy in children and adolescents. Journal of Child Neurology, 22, 693-699.

Golubchik, P, Sever J, Zalsman, G, & Weizman, A. ( 2008). Methylphenidate in the treatment of female adolescents with co occurrence of attention deficit/hyperactivity disorder and borderline personality disorder: a preliminary open-label trial. International Clinical Psychopharmacology, 23, 228-231.

Gomer, B., Wagner, K, Frings, L., Saar, J., Carius, A., Härle, M., Steinhoff, B.J., & Schulze-Bonhage, A. (2007). The influence of antiepileptic drugs on cognition: a comparison of  Levetiracetam with Toparimate. Epilepsy & Behavior, 10, 486-494.

Hallahan, B., Hibbeln, J.R., Davis, J.M., & Garland, M.R. (2007). Omega-3 fatty acid supplementation in patients with recurrent self-harm. Single- centre double-blind randomised controlled trial. British Journal of Psychiatry, 190, 118-122.

Herpertz, S.C., Zaranini, M., Schulz, C.S., Siever, L., Lieb, K., & Möller, H. (2007). World Federation of Societies of Biological Psychiatry ((WFSBP) guidelines for biological treatment of personality disorders. World Journal of Biological Psychiatry, 8, 212-244.

Ingenhoven, T., Rinne, T. (2007). Medicamenteuze behandeling. In: E.M.H. Eurelings- Bontekoe, W.M. (red.). Handboek Persoonlijkheidspathologie. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.

Ingenhoven, T., Lafay, P., Passchier, J., Duivenvoorden, H.J. (2009). Een meta- analyse van de effecten van farmacotherapie bij persoonlijkheidsstoornissen. Expertise Centrum Forensische Psychiatrie.

Ingenhoven, T., Lafay, P., Rinne, T., & Duivenvoorden, H. (2010). Effectiveness of pharmacotherapy for severe personality disorders: meta- analyses of randomized controlled trials. Journal of Clinical Psychiatry, 71, 14-25.

Ingenhoven,T., & Duivenvoorden, H. (2011). Differential effectiveness of antipsychotics in borderline personality disorder. Meta-analyses of placebo-controlled, randomized clinical trials on symptomatic outcome domains. Journal of Clinical Psychopharmocology, 31, 489-496.

Kowatch, R.A., & DelBello, M.P. (2003). The use of mood stabilizers and atypical antipsychotics in children and adolescents with bipolair disorders. CNS Spectrum, 273-280.

Kowatch, R.A., Fristad, M., Birmaher, B., Dineen-Wagner, K., Findling, F.L., & Hellander, M. (2005). Treatment guidelines for children and adolescents with bipolar disorder: child psychiatric workgroup on bipolar disorder. Journal of the Americam Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 44, 213-235.

Kutcher, S., Papatheodorou, G., Reiter, S., & Gardner, D. (1995). The successful pharmacological treatment of adolescents and young adults with borderline personality disorder: a preliminary open trial of flupenthixol. Journal of Psychiatry Neuroscience, 20, 113-118.

Lieb, K., Völlm, B., Rücker, G., Timmer, A., & Stoffers, J.M. (2010). Pharmacotherapy for borderline personality disorder: Cochrane systematic review of randomised trials. The Britisch Journal of Psychiatry, 196, 4-12.

Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ. Multidisciplinaire richtlijn Persoonlijkheidsstoornissen. Richtlijn voor de diagnostiek en behandeling van volwassen patiënten met een persoonlijkheidstoornis. Trimbos, 2008, 147 t/m 169.

Loew, T.H., Nickel, M.K., Muehlbacher, M., Kaplan, P., Nickel, C., Kettler, C., Fartacek, R., Lahmann, C., Buschmann, W., Tritt, K., Bachler, E., Mitterlehner, F., Pedrosa-Gil, F., Leiberich, P., Rother, W., & Egger, C. (2006). Topiramate treatment for women with borderline personality disorder. A double-blind, placebo- controlled study. Journal of Clinical Psychopharmacology, 26, 61-66.

MacKinnon, D.F., & Pies, R. (2006). Affective instability as rapid cycling: theoretical and clinical implications for borderline personality and bipolair spectrum disorders. Bipolair Disorder, 8, 1-14.

Marcus, R.N., Owen, R., Kamen, L, Manos, G., McQuade, R.D., Carson, W.H., Aman, M.G. (2009). A placebo-controlled, fixed-dose study of aripiprazole in children and adolescents with irritability associated with autistic disorder. Journal of the American Academy of Child Adolescent Psychiatry, 48, 1110-1119.

Markovitz, P. (1995). Pharmacotherapy of impulsivity, aggression and related disorders. In: E.  Hollander & Stein, D.J. ( red.), Impulsivity and aggression. New York: John Wiley & Sons,  263-287.

Mercer, D., Douglas, A.B., & Links, P.S. (2009). Meta- analyses of mood stabilizers, antidepressants and antipsychotics in the treatment of borderline personality disorder: effectiveness for depression and anger symptoms. Journal of Personality Disorders, 23, 156-174.

Montgomery, S.A., Roy, D., & Montgomery, D.B. (1983). The prevention of recurrent suicidal behavior. British Journal of Clinical Pharmacology, 15, 183-188.

NICE- National Institute for Health and Clinical Excellence (2009). Borderline personality disorder: management and treatment. London.

Nickel, M.K., Nickel, C., Mitterlehner, F.O., Tritt, K., Lahmann, C., Leiberich, P.K., Rother, W.K., & Loew, T.H. (2004). Topiramate treatment of aggression in female borderline personality disorder patients: a double- blind, placebo- controlled study. The Journal of Clinical Psychiatry, 65, 1515-1519.

Nickel, M.K., Muehlbacher, M., Nickel, C., Kettler, C., Pedrosa-Gil, F., Bachler, E., Buschmann, W., Rother, N., Fartacek, R., Egger, C., Anvar, J., Rother, W.K., Loew, T.H., & Kaplan, P. (2006). Aripiprazole in the treatment of patients with borderline personality disorder: A double- blind placebo- controlled study. American Journal of Psychiatry, 163, 833-838.

Nickel, M.K., Loew, T.H., & Pedrosa Gil, F. (2007). Aripiprazole in treatment of borderline patients, part II: an 18-month follow-up. Psychopharmacology, 191, 1023-1026.

Rinne,T., Brink, W., van den, Wouters, L., & Dyck, R., van (2002). SSRI treatment of borderline personality disorder: a randomized, placebo-controlled clinical trial for female patients with borderline personality disorder. American Journal of Psychiatry, 159, 2048-2054.

Sansone, R.A., Rytwinski, D., & Gaither, G.A. (2003). Borderline personality and psychotropic medication prescription in an outpatient psychiatric clinic, Comprehensive Psychiatry, 44, 454-458.

Simpsons, E.B., Yen, S., Costello, E., Rosen, K., Begin, A., Pistorello, J., & Pearlstein, T. (2004). Combined  dialectical behavior therapy and fluoxetine in the treatment of borderline personality disorder. Journal of Clinical Psychiatry, 65, 379-385.

Soloff, P.H., Cornelius, J., George, A., Nathan, S., Perel, J.M., & Ulrich R.F. (1993). Efficacy of phenelzine and haloperidol in borderline personality disorder. Archives of General Psychiatry, 50, 377-385.

Soloff, P.H. (1998). Algorithms for pharmacological treatment of personality dimensions: symptom-specific treatments for cognitive-perceptual, affective, and impulsive behavioral dysregulation. Bulletin of the Menninger Clinic, 62, 195-214.

Soloff, P.H. (2000). Psychopharmacology of borderline personality disorder. Psychiatric Clinics of North Amerika, 23, 169-192.

Soler, J., Pascual, J.C., Campins, J., Barrachina, J., Puigdemont, D., Alvarez, E., & Pérez, V. (2005). Double- blind placebo controlled study of dialectal behavior therapy plus olanzapine for borderline personality disorder. American Journal Psychiatry, 162, 1221-1224.

Schulz, S.C., Zanarini, M.C., Bateman, A., Bohus, M., Detke, H.C., Trzaskoma, Q, Tanaka, Y., Lin, D., Deberdt, W., & Corya, S. (2008). Olanzapine for the treatment of borderline personality disorder: variable dose 12-week randomized double-blind placebo-controlled study. British Journal of Psychiatry, 193, 485-492.

Teusch, L., Böhme, H., Finke, J., & Gastpar, M. (2001). Effects of client-centered psychotherapy for personality disorders alone and in combination with psychopharmacological treatment. Psychotherapy and psychosomatics, 70, 328-336.

Wöckel, L., Goth K., Matic, N., Zepf, F.D., Holtman, M., & Poustka, F. (2010). Psychopharmakotherapie einer ambulanten und stationären inanspruchnahmepopulation adoleszenter patienten mit borderline-persönlichkeitsstörung. Zeitschrift für Kinder- Jugendpsychiatrie und Psychotherapie, 38, 37-49.

Zanarini, M.C., & Frankenburg, F.R. (2001). Olanzapine treatment of female, borderline personality disorder patients: a double- blind placebo- controlled pilot study. Journal Clinical of Psychiatry, 62, 849-854.

Zanarini, M.C., Frankenburg, F.R., Hennen, J., & Silk, K.R. (2003). The longitudinal course of borderline psychopathology: 6-year prospective follow-up of the phenomenology of borderline personality disorder. American Journal of Psychiatry, 160, 274-283.

Zanarini, M.C. & Frankenburg, F.R. (2003). Omega-3 fatty acid treatment of women with borderline personality disorder: a double-blind, placebo-controlled pilot study. American Journal of Psychiatry, 160, 167-169.

Zanarini, M.C., Frankenburg, F.R., Hennen, J., Reich, D.B., Silk, K.R. (2004). Axis I Comorbidity in Patients with Borderline Personality Disorder: 6- year follow-up and prediction of time to remission. American Journal of Psychiatry, 161, 2108-2114.

Zanarini, M.C., Frankenburg, F.R., & Parachini, E.A. (2004). A preliminary, randomized trial of fluoxetine, olanzapine and the olanzapine- fluoxetine combination in women with borderline personality disorder. Journal of Clinical Psychiatry, 65, 903-907.

Ziegenhorn, A.A., Roepke, S., Schommer, N.C., Merkl, A., Danker-Hopfe, H., Perschel, F.H., Heuser, I., Anghelescu, I.G., Lammers, C.H. (2009). Clonidine improves hyperarousal in borderline personality disorder with or without comorbid posttraumatic stress disorder. A randomized, double-blind, placebo-controlled trial. Journal of Clinical Psychopharmacology, 29, 170-173.

Naar boven

Mail uw kennis

Deel de informatie op deze pagina met een ander door onderstaande velden in te vullen:
Naam afzender:
E-mail afzender:
Naam ontvanger:
E-mail ontvanger: